Afdrukken

Wat heeft de alimentatiegerechtigde nodig: behoefte 

De partneralimentatie wordt begrensd door enerzijds de behoefte van de alimentatiegerechtigde en anderzijds de draagkracht van de alimentatieplichtige. 

Uit het tremarapport volgt dat voor de vaststelling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde de welstand waarin partijen tijdens hun huwelijk hebben geleefd mede bepalend is.

Alle relevante omstandigheden zijn van belang, waaronder het inkomsten- en uitgavenpatroon tijdens de laatste jaren van het huwelijk, aan de hand waarvan voor wat betreft de kosten van levensonderhoud het inkomensniveau kan worden bepaald waarop de onderhoudsgerechtigde na beëindiging van het huwelijk in redelijkheid aanspraak kan maken.

Afhankelijk van de omstandigheden zal ook de mogelijkheid tot vermogensvorming (sparen) in beginsel een rol spelen bij het beoordelen van de welstand waarin de echtelieden hebben geleefd.

De behoefte dient daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens over de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud te worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en de overige globaal te schatten uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de onderhoudsgerechtigde redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze op vorenbedoelde wijze is vastgesteld. 

Aan de hand van een draagkrachtberekening kan men door berekening van het draagkrachtloos inkomen de minimumbehoefte van de onderhouds¬gerechtigde bepalen. Tot die minimumbehoefte zijn dan de strikt noodzakelijke lasten te rekenen, net zoals bij de onderhoudsplichtige: de bijstandsnorm voor de kosten van levensonderhoud, een redelijke woonlast, de premie zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) en andere noodzakelijke lasten.

Lasten die meer tot de luxe uitgaven zijn te rekenen die men tijdens het huwelijk gewend was - voor zover die in de gegeven situatie redelijk zijn en dan deel uitmaken van de totale behoefte - zoals een auto, kan men, net als bij de onderhoudsplichtige, beter niet tot deze minimumbehoefte rekenen. Deze uitgaven dienen te worden bestreden uit de zogenaamde ‘vrije' ruimte die resteert na aftrek van het draagkrachtloos inkomen. Dit betekent dat de ‘vrije' ruimte zodanig moet zijn dat daarmee de extra lasten, dat wil zeggen het deel van de behoefte dat uitstijgt boven de minimum behoefte, kunnen worden betaald.

De bepaling van de behoefte aan partneralimentatie is derhalve maatwerk. 

Wanneer beide echtgenoten het daarover eens zijn is het echter mogelijk de netto behoefte van de onderhoudsgerechtigde te berekenen aan de hand van een vuistregel die ervan uitgaat dat het besteedbaar gezinsinkomen, na aftrek van de kosten van kinderen, beschikbaar was voor de kosten van levensonderhoud van beide partijen.

In de jurisprudentie is een norm ontwikkeld waarbij de behoefte aan partneralimentatie wordt gesteld op 60% van het netto gezinsinkomen verminderd met de kosten van de kinderen (zie HR 19 december 2003 en NJ 2004/140, Hof Arnhem 18 januari 2005, rekestnummer 732/2004).

Omdat een alleenstaande duurder uit is dan een samenwoner, wordt de helft van het te verdelen inkomen met 20% verhoogd. De behoefte kan daarom gelijkgesteld worden aan 60% van het netto gezinsinkomen (te bepalen zonder rekening te houden met de fiscale voordelen als gevolg van fiscale aftrek van hypotheekrente, premie lijfrente, premie arbeidsongeschiktheidsverzekering e.d., en verminderd met de kosten van de kinderen (doorgaans berekend volgens de tabel kosten kinderen).

De uitkomst kan zo nodig gecorrigeerd worden met het oog op redelijke lasten van de onderhoudsgerechtigde na de scheiding. 

Werkelijke of fictieve (in redelijkheid te verwerven) eigen inkomsten van de onderhoudsgerechtigde, ook die uit vermogen, verminderen de alimentatiebehoefte. 

Onder omstandigheden kan het redelijk zijn te verlangen op dit vermogen in te teren.
Een inkomensvermindering van de onderhoudsgerechtigde mag bij de bepaling van diens behoefte slechts dan buiten beschouwing worden gelaten indien de onderhoudsgerechtigde uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsplichtige zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van gedragingen die tot die inkomensvermindering hebben geleid.

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samenleven als ware men gehuwd' of ‘als ware men geregistreerd partner' kan behoefteverlagend werken. De behoefte van de onderhoudsgerechtigde kan mede omvatten de premie voor een voorziening na overlijden van de onderhoudsplichtige (artikel 1:157 lid 2 BW). 

Zoek binnen de website

Copyright 2012. Joomla Templates 2.5 | Moene Familierecht - Sportsingel 26 - 2492 WJ Den Haag - info@moene.nl