• Omgang en taak rechter:
    De rechter moet snel alle in het gegeven geval gepaste maatregelen nemen om omgang met de andere ouder (of deze nu wel of niet het ouderlijk gezag heeft) tot stand te brengen.  

Taak rechter: bevorderen omgang!

De Hoge Raad heeft op 17 januari 2014 een belangrijke uitspraak gedaan. De uitspraak is van belang voor zowel ouders die belast zijn met het ouderlijk gezag over een kind als voor ouders zonder gezag. 

De Hoge Raad heeft namelijk op 17 januari 2014 uitdrukkelijk bepaald dat de rechter als taak heeft omgang tussen ouder en kind te bevorderen. Die taak vloeit voort uit het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.

In de zaak die ten grondslag aan dit arrest ligt, weigerde moeder contact tussen vader en een kind. De Raad voor de Kinderbescherming had aangegeven dat er geen contra-indicaties voor omgang waren. Toch concludeerde het gerechtshof dat uit de houding van moeder bleek dat er geen mogelijkheden voor omgang waren. Het Hof overwoog:

Omdat de Raad heeft geadviseerd dat er geen contra-indicaties zijn voor de omgang tussen de vader en het kind, is er in beginsel aanleiding een omgangsregeling vast te stellen, de moeder te verplichten hieraan mee te werken en daaraan een dwangsom te verbinden, gelet op haar houding tot nu toe. Het belang van het kind dient echter voorop te worden gesteld. Hoezeer de omgang met de vader in het belang van de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind is, het hof heeft geen andere mogelijkheid dan om de bestreden beschikking te bekrachtigen. Het kind kent de vader immers niet, heeft geen band met hem en is derhalve niet aan hem gehecht. Begeleide omgang is door de houding van de moeder ook in hoger beroep niet op gang gekomen. 

De Hoge Raad overwoog:

Indien de rechter de gronden welke de met het gezag belaste ouder aanvoert om geen medewerking te verlenen aan de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling ongenoegzaam acht, dient hij op korte termijn alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen daaraan alsnog medewerking te verlenen. 

Deze gehoudenheid berust op de uit art. 8 EVRM voortvloeiende verplichting van de nationale autoriteiten, onder wie de rechter, zich zoveel mogelijk in te spannen om het recht op ‘family life’ tussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken (vgl. EHRM 17 april 2012, zaak 805/09). De rechter kan partijen daartoe met hun instemming verwijzen naar mediation. Verder kan de rechter zonder de instemming van partijen onderzoek door derden gelasten, zoals een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of een deskundigenbericht met toepassing van mediation (ook forensische mediation genoemd). Voorts kan de rechter, onder aanhouding van de definitieve beslissing, voorshands een voorlopige omgangsregeling vaststellen en partijen tussentijds horen over de uitvoering daarvan en de (verdere) gang van zaken. 

Van de rechter kan temeer een actieve opstelling worden verlangd naarmate voor de weigering van de met het gezag belaste ouder minder – of zelfs geen – goede en voldoende aannemelijk gemaakte gronden worden aangevoerd.

Met andere woorden: een rechter kan niet meer zo eenvoudig aannemen dat uit de houding van de verzorgende ouder is te concluderen dat die toch niet zal meewerken aan omgang en dat omgang aan de andere ouder in het belang van het kind dan ontzegd moet worden. 

Wat te doen als je het recht op omgang met je kind hebt, maar de andere ouder zich niets aantrekt van dat recht of alles doet om contact te voorkomen? Over dit onderwerp kunt u meer lezen in ons artikel: Wat te doen als omgang niet lukt en ouder niet meewerkt?

Zoek binnen de website

Copyright 2012. Joomla Templates 2.5 | Moene Familierecht - Sportsingel 26 - 2492 WJ Den Haag - info@moene.nl