Omgang en oudere kinderen

Op grond van de wet hebben een minderjarige en zijn ouder het recht en de plicht tot omgang met elkaar. 

Dat geldt ook voor de minderjarige en de niet met het gezag belaste ouder. Op grond van artikel 1:377a BW hebben zij het recht en de plicht tot omgang met elkaar.

De gronden waarop de rechter omgang kan ontzeggen zijn te vinden in artikel 1:377a lid BW:

  1. De omgang zou ernstig nadeel opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
  2. De ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind moet kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat worden geacht tot omgang, of
  3. Het kind dat twaalf jaren of ouder is heeft bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
  4. De omgang is anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind

Wat te doen als een kind aangeeft geen of geen vaste omgang met een ouder te willen? 

Kinderen van 12 jaar en ouder worden in een procedure die betrekking heeft op omgang door de kinderrechter opgeroepen voor het kinderverhoor. Het kind kan dus aan de rechter zelf vertellen hoe hij/zij de omgang ziet en hoe hij/zij die graag ingevuld zou willen hebben. Lees meer over kinderverhoor. 

In de rechtspraak is een tendens te bespeuren dat kinderen vanaf hun 15e jaar meer vrijheid krijgen om zelf te bepalen of en wanneer zij naar de betreffende ouder willen gaan. De betreffende ouder zal rekening moeten houden met de behoeftes van het kind en met de dagelijkse bezigheden van een kind. Verplichte omgang op vastgestelde momenten kan juist averechts werken. 

Wanneer het kind geen omgang met de ouder wil, zal het kind bij zijn verhoor bij de rechter zijn/haar ernstige bezwaren tegen de omgang kenbaar moeten maken (zie hiervoor achter 3).

Onder bepaalde omstandigheden kan de  rechter dan de omgang ontzeggen. Uiteraard is van belang dat het kind zeer goed kan vertellen wat voor hem/haar tot de beslissing heeft geleid geen contact te willen hebben met een ouder. Kan het kind de consequenties van zijn/haar beslissing overzien? Is het een eigen bewuste keuze of wordt de keuze (direct of indirect) door de verzorgende ouder ingegeven? Dit zijn allemaal aspecten die een rol spelen bij de beslissing van de rechter.

Rechtspraak op dit punt: 

Hof Den Haag 1 augustus 2007 (ECLI:NL:GHSGR:2007:BB0971) 
(oudste twee kinderen 14 en 15 jaar oud)
“Ter zitting is gebleken dat de vader graag een substantiële en structurele omgang met alle kinderen wenst. De vrijblijvendheid van de huidige regeling met betrekking tot de oudste kinderen voldoet niet en de, weliswaar frequente, regeling met de jongste zoon [kind 5] is logistiek en financieel niet ideaal gebleken en te kort om daaraan een goede inhoud te kunnen geven. Ter zitting is echter ook gebleken dat de kinderen die gehoord zijn een duidelijke mening hebben aangaande de omgangsregeling. Zo zal bijvoorbeeld rekening moeten worden gehouden met de sportactiviteiten van de kinderen, ook in het omgangsweekend. Voorts hebben de oudste drie kinderen inmiddels een leeftijd bereikt waarop de omgang in overleg met hen dient te worden geregeld.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat tussen de vader en de jongste drie kinderen een omgangsregeling dient plaats te vinden waarbij alle drie de kinderen tegelijkertijd eenmaal per veertien dagen een weekend bij de vader doorbrengen van zaterdagmiddag (na de voetbal als daarvan sprake is) tot zondagavond. De omgang tussen [kind 1] en [kind 2] dient de vader in overleg met hen zelf te regelen. De bestreden beschikking zal derhalve worden vernietigd.”

Rechtbank Den Haag 14 november 2008 (ECLI:NL:RBSGR:2008:BG4808)
“De jongste minderjarige is thans 15 jaar en wordt in maart 2009 16 jaar. De kinderrechter acht, gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval, gedwongen en geconditioneerde omgang met de vader niet in zijn belang. De rechtbank overweegt daartoe dat op grond van hetgeen in de procedure en nadien in het kader van de mediation is gebleken, aangenomen kan worden dat de vader bereid is om omgang met zijn zoon te hebben, maar dat dit kennelijk niet werkt onder de bovengenoemde condities. De kinderrechter gaat er vanuit dat alle betrokkenen, nu er in beginsel geen contraindicaties voor omgang bestaan en er ook steeds vrijwillig omgang heeft plaatsgevonden, zich er voor zullen inspannen om de omgang tussen vader en zoon op een natuurlijke, bij zijn leeftijd passende wijze te laten plaatsvinden, waarbij de vader zich open stelt voor de behoeften van zijn zoon.”

Hof Den Haag 26 januari 2011 (ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0368):
“Gelet op de leeftijd van [oudste minderjarige] (15 jaar) en het feit dat de vader onweersproken heeft verklaard dat [oudste minderjarige] af en toe bij hem langs komt, is er naar het oordeel van het hof onvoldoende grond om het verzoek van de moeder toe te wijzen. Wel zal het hof, met toepassing van het bepaalde in artikel 1:377g juncto artikel 1:253a lid 4, ambtshalve een beslissing geven op het verzoek van [oudste minderjarige] om geen omgangsregeling meer voor haar te laten gelden. 
[Oudste minderjarige] heeft immers bij haar verhoor uitdrukkelijk van ernstige bezwaren tegen een (gedwongen) omgangsregeling met de vader doen blijken. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de bij de hiervoor genoemde beschikking van 29 oktober 2008 van het hof bepaalde omgangsregeling dient te vervallen, zodat de situatie ontstaat dat het [oudste minderjarige] vrij staat haar vader te bezoeken als zij daaraan behoefte heeft, zonder dat zij zich gedwongen voelt.”

Hof Den Haag 2 februari 2011 (ECLI:NL:GHSGR:2011:BP8568):
“Het hof is uit de stukken, met name uit het verslag van het minderjarigenverhoor dat op 27 oktober 2010 in raadkamer heeft plaatsgevonden, gebleken dat de minderjarigen geen omgang willen hebben met de vader. Zij hebben de vader al heel lang niet gezien en kennen hem niet.
Gelet op de bezwaren van de minderjarigen tegen contact met de vader en gezien hun leeftijd (16 en 17 jaar), acht het hof het vaststellen van een omgangsregeling in strijd met hun zwaarwegende belangen.” 

Hof Den Haag 21 maart 2012 (ECLI:NL:GHSGR:2012:BY6228):
“Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat omgang tussen de vader en de minderjarige thans in strijd is met de zwaarwegende belangen van de minderjarige. Het hof overweegt daartoe dat uit het kinderverhoor is gebleken dat de minderjarige zich verzet tegen omgang met de vader. De verklaring en uitingen van de minderjarige komen op het hof authentiek over. Het in gang zetten van omgang tussen de vader en de minderjarige, terwijl dit op dit moment tegen de wil van de minderjarige, die inmiddels 15 jaar oud is, ingaat, zou een opbouw van contact tussen hen eerder frustreren dan ten goede komen.”

Hof Den Bosch 30 oktober 2012 (ECLI:NL:GHSHE:2012:BY2162):
“Het hof stelt voorop dat aan de zijde van de vader niet is gebleken van contra-indicaties die een contactregeling met [zoon] in de weg staan.
[zoon] heeft bij de raad, de rechtbank en het hof herhaaldelijk verklaard dat hij absoluut geen contact met zijn vader wenst. Met de raad is het hof van oordeel dat de beleving van [zoon] serieus dient te worden genomen en dat een opgelegde contactregeling met de vader averechts zou werken. Mede gelet op de leeftijd van [zoon], vijftien jaar, dient de mening van [zoon] in de besluitvorming te worden betrokken. Uit de inhoud van de stukken is gebleken dat [zoon] de pogingen van de vader tot vaststelling van een contactregeling met [zoon] als dwang heeft ervaren en dat [zoon] zich daartegen steeds harder is gaan verzetten. Op grond hiervan – en met verwijzing naar het bepaalde in lid 3 van het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 1:377a BW – is het hof van oordeel dat gedwongen contact tussen de vader en [zoon] thans niet in het belang van [zoon] is. Het hof zal het hoger beroep van de vader ten aanzien van de contactregeling dan ook afwijzen.”

Hof Den Haag 9 januari 2013 (ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9701):
"Uit de stukken en het verhandelde ter zitting bij het hof is gebleken dat de minderjarigen, als gevolg van hetgeen zij in het verleden met de vader hebben meegemaakt, althans als zodanig hebben ervaren ernstige bezwaren hebben tegen omgang met de vader. De ernstige bezwaren liggen vooral ook in het gegeven dat de minderjarigen zich nog steeds niet door de vader met rust gelaten en gerespecteerd voelen. Dit blijkt met name ook uit de inhoud van voornoemd rapport van de raad. Gezien de leeftijd van de minderjarigen ([minderjarige 1] is 17 jaar en wordt [geboortedatum] 2013 18 jaar, [minderjarige 2] is 16 jaar) en de op dit moment bij de minderjarigen bestaande ernstige weerstand tegen de omgang die al langere tijd en consistent aanwezig is, is er naar het oordeel van het hof thans geen tijd en ruimte meer om tijdens de minderjarigheid iets wezenlijks aan deze situatie te verbeteren, als het al mogelijk zou zijn.

Het hof is van oordeel dat de vader op grond van de door de minderjarigen geuite ernstige bezwaren tegen omgang met de vader, het recht op omgang met de minderjarigen op grond van artikel 1:377a lid 3 onder c BW ontzegd dient te worden.” 

 

Zoek binnen de website

Copyright 2012. Joomla Templates 2.5 | Moene Familierecht - Sportsingel 26 - 2492 WJ Den Haag - info@moene.nl