Afdrukken

Wat te doen als omgang niet lukt en ouder niet meewerkt?

(Citaat: conclusie Mr. F.F. Langemeijer) Allereerst is van belang dat in art. 1:247 BW voor de verzorgende ouder de juridische verplichting is opgenomen de ontwikkeling van de banden tussen het kind en de niet-verzorgende ouder te bevorderen. Uitgangspunt is dat een omgangsrecht alleen aan een ouder mag worden ontzegd omdat omgang slecht is voor het kind; niet slechts op de grond dat niet is komen vast te staan dat omgang goed is voor het kind.

Art. 1:377a lid 3 BW bevat de volgende ontzeggingsgronden:

  • omgang zou ernstig nadeel opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind (onder a);
  • de ouder is kennelijk ongeschikt of moet kennelijk niet in staat worden geacht tot omgang (onder b);
  • ernstige bezwaren van het kind (onder c);
  • strijd met zwaarwegende belangen van het kind (onder d).

Met het formuleren van stringente opzeggingsgronden heeft de wetgever willen voorkomen dat het recht op omgang reeds zou worden ontzegd omdat de met het gezag belaste ouder daartegen bezwaar heeft. Weerstand bij de andere ouder tegen de omgang is op zichzelf geen geldige reden om de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind te ontzeggen. Het kan anders komen te liggen indien zwaarwegende belangen van het kind worden getroffen door de omgang. Meestal wordt getracht het kind een traumatische ervaring te besparen, bijvoorbeeld wanneer directe dwang zou worden toegepast en de omgangsregeling door middel van reële executie (afgifte van het kind aan de deurwaarder, bijgestaan door de politie) ten uitvoer moet worden gelegd.

Wanneer de andere ouder niet bereid is vrijwillig mee te werken aan de uitvoering van een omgangsregeling, wordt in de regel gezocht naar mogelijkheden om langs indirecte weg de benodigde medewerking te verkrijgen. Een dwangsom is een gebruikelijke, maar niet de enige methode. In het kader van de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding werd in de Tweede Kamer stilgestaan bij wettelijke en buitenwettelijke middelen om naleving van een omgangsregeling te bevorderen. Het opnemen in de wet van een plicht tot omgang, de inzet van mediation en de ontwikkeling van gemeentelijk beleid en Jeugdzorg alsook de mogelijkheid een bijzonder curator te benoemen waren voor de minister aanzienlijke verbeteringen. Een nadere wettelijke regeling om omgang te effectueren achtte de minister niet nodig.

In jurisprudentie en literatuur worden verschillende handhavingsmethoden onderscheiden. In dit verband worden wel genoemd:

  • begeleiding door derden van de omgang
  • wijziging van de bestaande omgangsregeling
  • opschorting van de verplichting tot betaling van (kinder)alimentatie
  • een aansporend boetebeding in de overeenkomst tot regeling van de omgang.

Daarnaast kan een beroep worden gedaan op de algemene executiemogelijkheden:

  • veroordeling tot medewerking aan de uitvoering van een omgangsregeling op straffe van een dwangsom (art. 611 Rv)
  • lijfsdwang (art. 585 Rv)

Ook bij het al dan niet verbinden van dwangmiddelen aan een omgangsregeling wordt het belang van het kind als maatstaf gehanteerd.

Uit Boek 1 BW zijn nog van belang de volgende mogelijkheden:

  • benoeming van een bijzondere curator (art. 1:250 BW)
  • het treffen van een kinderbeschermingsmaatregel (ondertoezichtstelling)
  • wijziging van het gezag of van de hoofdverblijfplaats van het kind.

In bepaalde gevallen kan het strafrecht worden ingezet om te voorkomen dat bij omgang in het kader van een omgangsregeling het kind aan het ouderlijk gezag wordt onttrokken (art. 279 Sr). Dat kan alleen als sprake is van ouderlijk gezag. 

De rechter heeft de actieve taak omgang te bevorderen, zie; http://www.familierechtadvocaat.nl/index.php/ouderlijk-gezag/118-hr17jan14omgang

Zoek binnen de website

Copyright 2012. Joomla Templates 2.5 | Moene Familierecht - Sportsingel 26 - 2492 WJ Den Haag - info@moene.nl