Publicatiedatum

Hoge Raad 1 november 2013

Minderjarigen van twaalf jaren of ouder dienen op grond van art. 809 Rv in beginsel in de gelegenheid moeten worden gesteld om in zaken (die hun betreffen) hun mening kenbaar te maken. 

De Hoge Raad stelt in bovengemeld arrest voorop dat er geen sprake is van een hoorplicht maar van een hoorrecht:

“Art. 809 lid 1 Rv schrijft niet voor dat de rechter de minderjarige hoort alvorens te beslissen, maar bepaalt dat de rechter de minderjarige van twaalf jaren of ouder in de gelegenheid stelt hem zijn mening kenbaar te maken.”

Art. 809 Rv geeft hierop twee uitzonderingen:
- in zaken van ondergeschikt belang (lid 1)
- in spoedeisende zaken bij OTS en UHP (lid 3). 

De Hoge Raad geeft in dit arrest een drietal extra uitzonderingen op het hoorrecht van art. 809 Rv.

  1. indien naar het oordeel van de rechter aannemelijk is dat de minderjarige “wegens een ernstige lichamelijke of geestelijke stoornis niet in staat is zich een mening te vormen” (De Hoge Raad verwijst  naar de parlementaire geschiedenis)
  2. indien naar het oordeel van de rechter aannemelijk is dat de minderjarige “niet wil worden gehoord”.
  3. indien naar het oordeel van de rechter “te vrezen valt dat het bieden van die gelegenheid (tot verhoor) de gezondheid van de minderjarige zal schaden”  

 

Zoek binnen de website

Copyright 2012. Joomla Templates 2.5 | Moene Familierecht - Sportsingel 26 - 2492 WJ Den Haag - info@moene.nl